Elke dag vraag ik het weer: Heb je je pillen genomen, schat? En omdat dat meestal niet zo is, leg ik de pillen bij het toetje maar op tafel, naast het glaasje sap.
Het is iets kleins. Waarom zou ik hem zijn drie pillen niet aanreiken elke dag? Maar toch. Hij is niet seniel. Hij is niet dom. Op z’n werk doet hij nog goed mee en stuurt hij een aantal mensen aan. Waarom kan hij dan thuis niet zelf z’n pillen pakken?
Ik weet het. Als hij gewerkt heeft, is hij op. Gewoon helemaal op. Hij kan niets anders meer dan in z’n stoel hangen, een kopje thee drinken en naar bed gaan. Thuis ben ik de regisseur. Ik zorg voor de thee, voor de pillen, neem de telefoon op. Hij hoeft alleen maar te slapen en te eten.
En dat is ook geen punt: het is nu eenmaal zo. Maar het is niet altijd gemakkelijk.